Geschiedenis Italiaanse wijn

Geschiedenis Italiaanse wijn

Italië was niet het eerste Europese land dat wijn produceerde, maar reeds in de prehistorie tijd was er sprake van wijnbouw. Fossiele vondsten tonen aan dat wilde soorten van de Vitis vinifera tot de flora van het schiereiland behoorden. De stammen die het eerst Italië bewoonden hebben ook beslist geprobeerd druiven te kweken en rode wijn te maken. Deze oude wijncultuur wordt vermeld door de Feniciërs, de oude handelaren die eeuwenlang de Middellandse Zee hebben beheerst en rond 2000 v. Chr. wijn aantreffen in het zuidelijke Apulië.

De eerste wijn makers in Italië werden beïnvloed door de Grieken, die zich in het zuiden en op Sicilië vestigden en daar wijn maakten. Hun vinificatie methode voor het maken van wijn (waarschijnlijk alleen nog maar rode wijn) werden overgenomen door autochtonen tot in Piëmonte en Valtellina in het noorden, terwijl in het midden de Etrusken hun eigen wijnhandel ontplooiden. Het wekt geen verwondering dat door het succes van deze vroege wijnmakers en door het milde klimaat en de gunstige bodem het Italiaanse schiereiland al gauw de naam Oenotria, land van wijn kreeg. De Romeinen namen het beste van beide tradities en verbeterden ze. Ze ontwikkelden methoden voor het leiden en snoeien van de wijnstok die standhielden tot de 17e en 18e eeuw.

Al spoedig leverden wijngaarden oogsten van 1500 kilo per hectare, een getal dat gunstig afsteekt bij intensief bebouwde wijngaarden van nu. Een terugval in de Griekse wijn productie versterkte Italiaanse wijn positie, en gedurende de Republiek (van 27 voor tot 395 n. Chr.) werd de wijnhandel steeds belangrijker in het Romeinse land. De Romeinen brachten hun wijn expertise ook naar nieuwe streken, zoals de Provence (Franse wijn), de Narbonnais en het gebied rond Vienne, nu Côtes du Rhône, legden enorme wijngaarden aan rond Tarragona en Valencia, en ontwikkelden een grote export van wijn.

Geschiedenis Italiaanse wijn

Italië was niet het eerste Europese land dat wijn produceerde, maar reeds in de prehistorie tijd was er sprake van wijnbouw. Fossiele vondsten tonen aan dat wilde soorten van de Vitis vinifera tot de flora van het schiereiland behoorden. De stammen die het eerst Italië bewoonden hebben ook beslist geprobeerd druiven te kweken en rode wijn te maken. Deze oude wijncultuur wordt vermeld door de Feniciërs, de oude handelaren die eeuwenlang de Middellandse Zee hebben beheerst en rond 2000 v. Chr. wijn aantreffen in het zuidelijke Apulië.

De eerste wijn makers in Italië werden beïnvloed door de Grieken, die zich in het zuiden en op Sicilië vestigden en daar wijn maakten. Hun vinificatie methode voor het maken van wijn (waarschijnlijk alleen nog maar rode wijn) werden overgenomen door autochtonen tot in Piëmonte en Valtellina in het noorden, terwijl in het midden de Etrusken hun eigen wijnhandel ontplooiden. Het wekt geen verwondering dat door het succes van deze vroege wijnmakers en door het milde klimaat en de gunstige bodem het Italiaanse schiereiland al gauw de naam Oenotria, land van wijn kreeg. De Romeinen namen het beste van beide tradities en verbeterden ze. Ze ontwikkelden methoden voor het leiden en snoeien van de wijnstok die standhielden tot de 17e en 18e eeuw.

Al spoedig leverden wijngaarden oogsten van 1500 kilo per hectare, een getal dat gunstig afsteekt bij intensief bebouwde wijngaarden van nu. Een terugval in de Griekse wijn productie versterkte Italiaanse wijn positie, en gedurende de Republiek (van 27 voor tot 395 n. Chr.) werd de wijnhandel steeds belangrijker in het Romeinse land. De Romeinen brachten hun wijn expertise ook naar nieuwe streken, zoals de Provence (Franse wijn), de Narbonnais en het gebied rond Vienne, nu Côtes du Rhône, legden enorme wijngaarden aan rond Tarragona en Valencia, en ontwikkelden een grote export van wijn.

Vervoer en behandeling van wijn

De Romeinse wijnhandel was lange tijd ondenkbaar zonder de amfora het favorietenreservoir dat al vóór 1500 v. Chr, door de Kanaänieten was uitgevonden. In deze twee origeterracotta kruiken van 26 40 liter, afgesloten met hout of kurk en verzegeld met hars, bereikte de wijn alle uithoeken van het Keizerrijk.Met zijn spitse vorm vond de amfoor houvast in de grond of in een bak zand in het scheepsruim. Dankzij de luchtdichte verzegeling rijpte de wijn in een zuurstofarme omgeving vergelijkbaar met onze wijnfles, wat het enthousiasme van tijdgenoten verklaart over de smaak van 40 jaar oude wijn.

Of over de fameuze wijn gemaakt van de oogst van 121 v. Chr. die het wel 100 jaar volhield. Maar toch werd de breekbare amfoor geleidelijk vervangen door houten vaten gemaakt door de Kelten. De stijl van wijn maken was ook modegevoelig. Eerst leek de meeste Romeinse wijn op een dikke alcoholische stroop (sterk wijn en zoete wijn). Hij werd meestal aangelengd met water om de wijn minder alcoholisch te doen smaken. Deze traditie verdween in de Middeleeuwen, maar ook in de Romeinse tijd dronken sommigen al zuivere, onverdunde wijn. Tegen het eind van het Keizerrijk, in de 5e eeuw, begon wijn meer te lijken op onze moderne vorm:hij werd dunner, droger en meestal minder alcoholisch.

Met de val van het Romeinse Keizerrijk begon Italië aan zijn eigen Donkere Middeleeuwen. De wijnbouw overleefde vooral dankzij de kloosters. Kwaliteitswijn was slechts herinnering. De productie zakte snel en omdat de wijn niet tegen reizen kon, werd hij nog slechts ter plaatse gedronken, veelal voor religieuze en medische doeleinden. De amfoor was achterhaald, de fles moest nog komen, het vat nam de rol over. Maar zelfs de beste wijn was daarin niet erg lang houdbaar. Dus werd de wijn meestal binnen vijf jaar gedronken. Er is weinig bekend over de Italiaanse wijn uit de Middeleeuwen, want er was geen nationale productie. Pas gedurende het Risorgimento (de eenwording van Italië) werd er weer verslag uitgebracht. Toch weten we dat eeuwenlang de Republiek Venetië de Middellandse Zee beheerste, met een monopolie voor de export van zoete wijn van Sicilië, Cyprus, Kreta en Griekenland naar de markten in het noorden. En in Italië zelf werd een aantal legendarische Toscaanse rode wijnen gemaakt inclusief Montepulciano (later bekend als Vino Nobile), de witte wijn van de Vernaccia di San Gimignano en de zoete witte wijn Orvieto.

Het begin van de 18e eeuw kunnen we als beslissend beschouwen in de geschiedenis van de moderne Europese wijn. Tot 1709 bestonden er zelfs wijngaarden in het noordelijke Wales en Schotland, maar de strenge vorst van dat jaar ruïneerde alle wijngaarden in deze streken en richtte ernstige schade aan in grote delen van Frankrijk, Duitsland en Noord-Italië. Alleen de zuidelijke streken bleven gespaard. Het jaar daarop werd de wijn vijfmaal zo duur. Deze dramatische gebeurtenissen brachten Italiaanse wijnmakers ertoe hun nieuwe wijngaarden met de sterkste wijn rassen te beplanten. Vandaar de opkomst van pagadebit (bombino bianco), de trebbiano variëteiten en verduzzo. Binnen enkele jaren was de hervorming een feit.

Aangezet door deze ontwikkelingen, vaardigde Cosimo III, groothertog van Toscane, in 1716 de eerste wijnwetten uit. Deze betroffen alleen wijnregio Chianti en naaste omgeving, want de Chianti wijn werd zo gewaardeerd dat hij bescherming behoefde. Maar in heel Italië was het moeilijk om kwaliteitswijn te produceren, vooral door de politieke instabiliteit van het land. Wijnproductie en consumptie vonden plaats op het platteland en waren niet het voorrecht van de aristocratie, zoals in Frankrijk. In tegenstelling tot dure Franse Wijn, die aan bijna elk Europees hof in zwang was, werd Italiaanse wijn bijna uitsluitend gedronken in het gebied van herkomst. Bron: The new Italian, complete story of wine. Wijnblog artikel

 
Wij verkopen een aantal zeer exclusieve Italiaanse wijnen die wel 40 jaar kunnen rijpen.

Vallana Boca nebbiolo 2010 Piemonte Italië

Vallana Spanna nebbiolo 2013 Italië

Vallana Gattinara 2006 Piemonte Italië (91 WS)







Reacties

Wees de eerste om te reageren...

Laat een reactie achter
* Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.
* Verplichte velden